het verhaal

Momenteel ben ik ‘een verhaal’ aan het schrijven. Ik bekijk dit als een uitdaging, een projectje dat ik volledig zelf ga realiseren en waar ik hopelijk trots kan op zijn. De tijd zal uitwijzen hoever ik kom. Er is evenveel kans dat het op een complete mislukking uitdraait. Het zou een verhaal moeten worden dat de lezer (mijn naasten of wie er zin in heeft?) hopelijk als vlot leesbaar, spannend en verrassend zal ervaren. Hieronder vind je een eerste, niet definitieve versie van het begin:

1. De val

In een poging mijn geest terug in de realiteit te brengen knipperde ik enkele keren met de ogen. Ik had het gevoel tussen hemel en aarde te zweven. Mijn lichaam was gevoelloos. Zo irreëel, alsof ik toeschouwer was van mijn eigen leven en mezelf hulpeloos op de grond zag liggen. Ik knipperde nog een paar keer.

Mijn geest kwam langzaam weer in het nu. Langzaam werd het beeld op mijn netvlies scherper: de blauwe lucht, een rotswand en het groene gebladerte waren de drie overheersende elementen binnen mijn gezichtsveld. Samen met het terugkerende realiteitsgevoel kwam ook het pijngevoel in mijn, tot dan toe verdoofde, lichaam. De puntige uitsteeksels van de rotsige bodem waarop ik lag priemden in mijn rug. De rugzak die normaal mijn rug had moeten beschermen lag helemaal verscheurd, een paar meter verderop.

Mijn rechter arm voelde bijzonder pijnlijk en lag in een zeer onnatuurlijke houding. Maar het ontbrak me aan de nodige kracht om hier verandering in te brengen. Ik wilde eerst volledig tot mezelf komen.

Mijn borstkas ging bijna trillend op en neer en mijn ademhaling was abnormaal snel. Ik besefte dat mijn toestand ernstig was, dat ik wellicht in shock was.

Door enkele keren diep in te ademen en vervolgens rustig uit te ademen probeerde ik mijn versnelde ademhaling onder controle te krijgen. Het lukte. Stilaan keerde de rust weer in mijn lichaam. Mijn gedachten kwamen op gang. Waar was ik? Wat was er in godsnaam gebeurd, wat deed ik hier? Wat ik toen niet wist was dat de belangrijkste vraag die ik me zou stellen nog moest volgen.

Hoe lang ik daar bewegingsloos, enkel maar denkend, gelegen heb weet ik niet meer. Waren het minuten, een uur, misschien langer? Mijn tijdsbesef was compleet verdwenen.

Geleidelijk aan begon ik op krachten te komen en besloot dat het tijd was om mijn lichamelijke toestand te overzien. Was ik zwaargewond? Open wonden? Bloedverlies? Zonder mijn met pijn gevulde lichaam te bewegen tilde ik voorzichtig mijn hoofd op en wierp een vluchtige blik over mijn lichaam.

Afgezien van de nog steeds kloppende hoofdpijn was er één ding wat me verontrustte. Die arm die er zo raar bijlag. Hij lag weg van mijn lichaam, in een hoek van 90 graden. Het schoudergewricht leek wel wel 5 cm lager te zitten. Met mijn linkse hand betaste ik de pijnlijke plaats onder het schoudergewricht waar ik een uitpuilende onderhuidse bol voelde. Ik deed een poging om de arm tegen mijn lichaam te brengen. Een hevige pijnscheut verspreidde zich door mijn bovenlichaam.

Mijn gezicht verkrampte, een luide pijnkreet ontsnapte uit mijn mond en weerkaatste tegen de nabijgelegen rotswand. De echo stierf uit in de verte. Die noodkreet had mijn laatste krachtreserve uitgeput.

Ik liet mijn hoofd weer rusten op de rotsige bodem en voelde mijn lichaam opnieuw licht worden. Mijn ledematen begonnen te tintelen. Het tintelende gevoel verspreidde zich. Steeds groter wordende zwarte vlekken verschenen voor mijn ogen en ik voelde me wegglijden. Ik berustte in mijn lot.

2. De blokhut van Marc

Het geluid van schuifelende voetstappen op een houten vloer, dat moet het eerste zijn wat ik hoorde. Ik kwam weer bij bewustzijn en realiseerde me dat ik op een bed lag. Met wijd opengesperde ogen keek in in het rond en deed een verwoede poging om recht te komen. Mijn gezicht verkrampte van de pijn.

“Auw, mijn arm” mompelde ik.

De voetstappen naderden, de houten vloer kraakte. Een man boog zich voorover mij. Midden in de veertig, schatte ik hem, schouderlang haar en een baard al flink grijs was en blauwe ogen waar een soort zachtheid vanaf straalden.

“Rustig, je bent veilig hier” fluisterde hij terwijl zijn hand mij zachtdwingend neerduwde. “Alles is oké, rust nu maar….”

“Mijn arm, wat is er met mijn arm?” mompelde ik met een schorre, nauwelijks hoorbare stem.

“Je schouder was uit de kom, ik heb hem terug gezet”

“Wat heb je? Mijn schoudergewricht terug in elkaar getrokken? Hoe kan dat? Ik heb niets gevoeld…”

“Maak je geen zorgen, ik weet wat ik doe, je arm is oké nu en dat is het belangrijkste”

“Over een paar weken is die vervelende pijn ook verdwenen”

“Door de val heb je enkele open wondjes opgelopen aan je rug. Die heb ik zuiver gemaakt en afgedekt met een verband. Verder heb je nog enkele kneuzingen die pijnlijk kunnen aanvoelen, maar niets om je zorgen over te maken.”

“Een val, waar ben ik gevallen? Ik kan me niets herinneren.”

“Ik vond je onderaan een rots waarop een wandelpad loopt, ik neem aan dat je daar vanaf gevallen bent.”

“Maar vertel eens, wat is je naam?” vroeg hij. “Ik kon namelijk geen identiteitsbewijs of enig ander document in je rugzak vinden wat me kon helpen om jou te identificeren”.

Langzaam liet ik mijn lichaam weer rusten op het bed.

“Mijn naam?” Ik fronste mijn wenkbrauwen alsof dat me zou helpen om dieper na te denken.

Hoezeer ik mijn hersenen ook pijnigde, er volgde enkel stilte.

“Of een ander detail zodat we je familie kunnen opsporen en verwittigen?” vervolgde hij.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven, mijn verleden leek volledig gewist. Geen herinnering aan naam, woonplaats, familie. Mijn leven voor de val leek één grote leegte, een gat in mijn geheugen.

“Geen ramp, neem rustig de nodige tijd om te herstellen. Jouw geheugen komt vast en zeker terug, kwestie van geduld hebben.”

“Dan rest me voorlopig niets anders dan mezelf even voor te stellen” vervolgde hij.

“Marc, aangenaam.” en hij reikte me de hand.

Ik beantwoordde zijn handdruk wat stuntelig met mijn linkerhand.

“Aangenaam”.

Hij probeerde me wat meer gerust te stellen door te zeggen dat het geheugenverlies te wijten was aan een zware hersenschudding die ik wellicht opgelopen had bij de val op mijn hoofd.

“Mijn hoofd? Vandaar die hoofdpijn?” Ik bracht mijn hand naar mijn naar de pijnlijke plaats. Inderdaad, tussen mijn haren voelde ik ruwe, gestolde bloedkorsten die mijn halflange haren hadden samengeklit.

“Ik stel voor dat je vandaag het bed nog houdt en als je morgen sterk genoeg bent kan je gebruik maken van de badkamer om je op te frissen.”

“Ik moet eigenlijk….euh….”

“ Ik begrijp het al, je wilt naar het toilet?”

Ik knikte.

“De badkamer bevindt zich achter die deur.” zei hij wijzend met zijn wijsvinger.

“Wacht, ik help je even bij het opstaan”

Het laken wat mijn lichaam bedekte plooide hij zorgvuldig naar het voeteneinde.

Tijd om me te verwonderen over het mannenhemd dat ik aan had kreeg ik niet.

Vastberaden schoof Marc zijn linker hand onder mijn rug waarbij hij de kwetsuren probeerde te vermijden. Ik liet mijn benen over de matrasrand glijden tot ik rechtop zat op de rand van het bed. Dit viel me zwaarder dan ik gedacht had.

“Natuurlijk” zei Marc begrijpend “je hebt urenlang gewond op je rug gelegen, geef je lichaam wat tijd om te wennen aan het rechtop zitten.”

“Niet draaierig? Zal het lukken om op te staan?” vroeg hij oprecht bezorgd.

“Ik denk het wel” en liet mijn voeten op de houten vloer rusten.

Marc ondersteunde mij stevig onder mijn arm. Stapje voor stapje gingen we richting badkamerdeur. Naast de badkamerdeur, tegen de houten wand herkende ik mijn verscheurde rugzak. Ik kon een glimp opvangen van de inhoud. Een fleece, een topografische kaart wat proviand en een groene regenjas.

Pas nu voelde ik waar de pijnlijke plekken op mijn lichaam zich bevonden: hoofd, schouder en verschillende punten op mijn rug.