de jacuzzi

“Wisten jullie al dat wij een jacuzzi hebben”? vroeg de buurvrouw tijdens één van onze avondlijke voortuinpraatjes. Alsof ze haar aankoop wilde minimaliseren voegde ze er onmiddellijk aan toe: “het is maar zo’n opblaasbaar exemplaar hoor”.


“En of we dat weten…” ontsnapte bijna uit mijn mond. Gelukkig besefte ik op het laatste moment dat een goede relatie met de buren veel waard is en verving ik deze woorden door een enthousiast “goed voor jullie!” Diep in mij had ik de stille hoop dat ze deze subtiele hint zou doorzien.


Natuurlijk weet ik dat ze een jacuzzi hebben. Meer nog, ik kan precies zeggen wanneer hij in gebruik werd genomen. Vijf dagen en drie uur moet dat ondertussen zijn. Vijf avonden van ergernis. Dat luchtbelproducerende waterreservoir waar zij zo ongelooflijk van genieten maakt namelijk een hels lawaai. En bij gezellig bubbelen hoort natuurlijk muziek. Dat maakt de ergernis alleen maar erger: de volumeknop wordt flink omhoog gedraaid om het geluid van de jacuzzi te overstemmen. Weg rust op ons terras. En laat dat nu het enige zijn waar ik naar verlang als ik thuis ben. Oké, ik geef toe, een biertje hoort er ook bij.


Het duurde niet lang voor in mijn gedachten de plannen tot sabotage van dat onding vorm begonnen te krijgen.

“Ik heb in de kelder nog breinaalden liggen” suggereerde ik mijn partner. Hij vond dat ik overreageerde en dat ik het moest loslaten. Hoe hard ik ook probeerde ik kon die ergernis niet naast mij neerleggen.

De bewuste breinaald lag al een paar dagen klaar op het kastje bij de achterdeur, wachtend op het gepaste moment, toen er op een avond werd aangeklopt.

“Wie we daar hebben, de buurman, kom binnen” gebaarde mijn partner. De buurman stak zijn hoofd met de nodige coronavoorzichtigheid tussen de opengeschoven schuifpui.

“Wij hebben een probleem” zei hij zichtbaar teleurgesteld “onze jacuzzi is lek”. Ik kon het net onderdrukken maar diep in mijn binnenste juichte ik, balde een vuist en trok die triomfantelijk omlaag als teken van overwinning. Mijn partner wierp een gespannen, vragende blik in mijn richting.

Via de draadloze verbinding die we soms hebben las ik zijn gedachten. Het was alsof hij dacht dat ik… hoe kwam hij erbij?

Mijn gelaatsuitdrukking moet een toonbeeld van onschuld geweest zijn want ik merkte dat hij mij geloofde. Bijgevolg ebte de spanning die voordien van zijn gelaat af te lezen was, weg.


Mijn partner die niet alleen fietsenmaker is maar ook veel te goed voor deze wereld deed wat van hem verwacht werd: hij ging naar de kast, trok een lade open en nam er een geschikte herstelset uit.

“Dit zou moeten werken” zei hij en overhandigde deze aan onze buurman. Ik besefte dat dit moment bepalend was voor mijn innerlijke rust van de komende maanden. Smekend probeerde ik nog “nee, niet doen, doe dat alsjeblief niet…” via de draadloze verbinding naar mijn partner door te seinen. Maar het baatte niet, de verbinding bleek plots verbroken.

Even dacht ik om de plakset “per ongeluk” uit de buurman zijn handen te duwen zodat deze onvindbaar onder de kast zou belanden. Ik realiseerde me dat dit slechts uitstel zou betekenen en liet het voor wat het was.

Waar ik voor vreesde werd waarheid: de jacuzzi werd hersteld en onze buren bubbelen er sindsdien weer vrolijk op los.

Weg is de zomerrust.

Corona 8

Vanmorgen 8u, de winkeldeur van AH Wemmel wordt geopend. Met de verplichte winkelkar aan de hand stromen de eerste klanten binnen. Onder hen een oud vrouwtje dat zich richting broodafdeling begeeft.

Ik begroet haar met een knikje en een glimlach.

“Wat een brede glimlach zo vroeg in de ochtend” zegt ze.

“Ja mevrouw, als ik jou was zou ik oppassen want mijn glimlach is besmettelijk.”

Het oude vrouwtje moet er hartelijk om lachen.

“Zie je wel?” zeg ik.

“Gelijk heb je” zegt ze en voegt er meteen aan toe “dank je wel voor jouw lach”.

❤️

corona (7)

“De huid is het grootste orgaan van de mens” werd me destijds tijdens mijn opleiding verpleegkunde meegegeven door een oude, steeds boven zijn bril loensende dokter. Indien hij het toen zou gehad hebben over het voeden van je huid zou ik spontaan aan allerlei zalfjes en crèmes gedacht hebben. Dat dit orgaan nood heeft aan een andere soort voeding is me in de voorbije weken pas duidelijk geworden door het ervaren van het gemis daarvan. Huidhonger is actueler dan ooit. Bovendien vind ik het een fantastisch mooi Nederlands woord dat perfect zegt wat het betekent.

Dat ik geen knuffelmens ben is geweten. Ook andere vormen van huidcontact die anderen als weldoend ervaren ga ik niet opzoeken, professionele massage is daar een voorbeeld van.

Bijgevolg zou ik met de anderhalvemeter regel weinig moeite hebben, dacht ik vooraf. En toch ben ik geschrokken van het aantal keer dat ik in het gewone leven lichamelijk contact maak en hoe dikwijls mijn anderhalvemeter bubble doorprikt wordt. De check- check- check boodschap waarmee we willens nillens via de media geconfronteerd worden lijkt me geconditioneerd te hebben. Ik ben me veel bewuster van mijn aanrakingen en die van anderen.

In het pré- corona tijdperk deelde ik graag schouderklopjes uit aan collega’s als een soort beloning, begroeting of bevestiging. Wanneer mijn hand zich nu ergens halfweg tussen mij en de collega bevindt besef ik plots dat het niet mag en laat ik zelfcorrigerend mijn hand weer zakken. Hetzelfde heb ik wanneer ik mezelf voorstel aan een nieuwe medewerker. Spontaan reik ik de hand, het is een vorm van welkom heten. Het voelt het als een soort uitwisseling van visitekaartjes. Als ik het even vergeet reik ik in het ijle…. En blijf ik achter met het gevoel dat er iets ontbreekt.

Onze, tot het nationaal heldendom verheven Prof. Van Ranst, beweerde in een interview dat we de gewoonte om elkaars hand te schudden beter voorgoed achterwege zouden laten. Dat zal mij alvast de nodige moeite kosten. Oude gewoonten zijn moeilijk te doorbreken. Heeft de handdruk wel een waardige vervanger vraag ik me af? Ik zie me geen elleboogstootje geven bij wijze van begroeting. Voetje tik is ook maar niks. En een buiging is zo formeel en onderdanig. Iemand een idee?

Heeft de handdruk nog toekomst? Of gaan we over tien jaar zeggen: “in 2020, toen we elkaar nog de hand schudden….”?

Corona dagboek (6)

Donderdagnamiddag, 30/3 Brusselse Ring

Na een weerom drukke werkdag ben ik op weg naar huis. De Brusselse Ring ligt er onrealistisch leeg bij. “Wake me up when it’s all over” is het eerste wat mijn gedachten doorkruist. Ergens hoop ik dat dit alles slechts een droom is.

Anderzijds is dit misschien wat de mensheid nodig heeft? Ik heb me de laatste jaren enorm geërgerd aan het gebrek aan respect en verdraagzaamheid binnen onze samenleving. Nu lijken we terug met de voeten op de grond gezet. Gereset naar de basiswaarden die we, naar mijn gevoel, onderweg uit het oog verloren waren. Respect voor de natuur, respect voor elkaar, verdraagzaamheid, aandacht voor gezondheid en veiligheid, zorg voor elkaar,…

Enkele negatieve menselijke gedragingen buiten beschouwing gelaten moet ik toegeven dat ik de voorbije weken verrast was over het aantal hartverwarmende, menslievende acties dat ondernomen werd om de kwetsbare medemens te helpen. En over de inzet van iedereen, waarbij ik de mensen reken die ondanks de kans op besmetting aan het werk bleven. Dit alles maakt het leven dragelijker in deze bijzondere tijden.

Hip Hip Hoera, de goedheid in de mens is, in tegenstelling tot wat ik dacht, dan toch niet dood. Er lag enkel een stoflaagje op. En dat virus was nodig om dat stoflaagje weg te blazen.

Mijn hoop is dat de mensheid in dit geval geen kortetermijngeheugen heeft en dat deze positieve wending zich ook na de crisis zal doorzetten. Laat ons niet weer afdwalen van die belangrijke levenswaarden!

corona (5)

Voor de mensen die zich afvragen waar het witte laken gebleven is dat aan onze voordeur hing: ik heb het weer binnen gehaald.

Niet omdat ik de zorgsector geen warm hart meer toedraag, zeker niet. Ook niet omdat het vandaag lakenwisseldag is. Nee, er is een andere reden.

Toen ik vanmiddag door onze straat wandelde viel het me voor het eerst op: overal hingen stralend witte lakens of handdoeken uit de raam en toen viel mijn blik op mijn laken. Schaamrood kleurde mijn wangen. Grauw, grijs….afschuwelijk!

Het was niet zozeer de grauwheid van het laken dat ik verafschuw. Maar wel het feit dat de grijze kleur iets over mij zegt wat ik liever verborgen hou.

“Dat ik geen huishoudwonder ben kan mijn partner beamen. Maar daarom hoeft gans Beerse het niet te weten” dacht ik en nam vervolgens dat grauwe laken snel terug binnen.

Corona (4)

Brussel, 05.30u op een werkdag in volle coronacrisis.

Ik haalde mijn voet van het gaspedaal en maneuvreerde mijn wagen naar de kant van de weg, richting blauwe zwaailichten.

Ik opende het portierraampje. Een agent keek even in mijn auto en vroeg me met een opvallend rollende r: ‘Wat doet u op dit uurrr op de weg mevrrrouw?’

‘ Ik ben op weg voor mijn job, ik start om 6u in Wemmel’

‘En u bent van?’

‘Van Beerse, bij Turnhout’

Er volgde een korte stilte.

Wellicht probeerde hij zich de kaart van België voor de geest te halen. Vervolgens keek hij me aan alsof hij een leugen in mijn ogen probeerde te ontdekken.

Ik las zijn gedachten: waarom kom jij in ’s hemelsnaam van Beerse naar Wemmel om te werken? Ik geef toe, soms stel ik mezelf die vraag ook en het antwoord is nog steeds hetzelfde: omdat ik van mijn werk hou.

‘Kan je dat bewijzen?’

‘Bewijzen…..euh nee, niet echt.’

‘Of ja, wacht even’ en ik haalde mijn knalblauwe Albert Heijn agenda uit mijn tas. Gegeneerd voor mijn slordig handschrift opende ik de agenda op week 13. Op 24/3 stond duidelijk (nu ja, duidelijk….) vermeld: Wemmel 6-12.30u.

‘Oké, dat lijkt me corrrect, u mag doorrrijden, prrettige werrkdag’

En ik zette mijn weg verder langs de spookachtig lege Brusselse wegen.